Opmerking: De zaak is inmiddels door het Hof van Beroep behandeld. De uitkomst van het arrest van het Hof van Beroep kunt u lezen in ons nieuwe artikel “Overbruggingskredieten – Is de rente bij wanbetaling van een overbruggingskredietverstrekker een niet-afdwingbare boete?”
In een recente zaak heeft het Hooggerechtshof geoordeeld dat een vertragingsrente van 4% in een overeenkomst voor een kortlopende lening, gedekt door een woning, een boete vormde en niet afdwingbaar was.
Het onderpand en de voorwaarden van de lening
De kredietverstrekker (L) heeft 1,9 miljoen pond geleend aan een ander bedrijf, dat eigendom is van H en N, met als zekerheid hypotheken op diverse onroerende goederen, waaronder hun gezinswoning en vijf vastgoedobjecten die bestemd zijn voor verhuur.
In de leningsovereenkomst was bepaald dat L in geval van een wezenlijke schending een curator zou kunnen aanstellen, de onroerende goederen zou kunnen verkopen en een 4% per maand standaardrentevoet in geval van een wezenlijke schending.
Beoordeling of een vertragingsrente een boete is
De maandelijkse vertragingsrente van 4%, een viervoudig de afwijking van het standaardtarief bleek een niet-afdwingbare boete te zijn. Toepassing van tde uitgangspunten uit de zaak van El Makdessi tegen Cavendish Square Holdings BV, de centrale vraag bij de beoordeling of een vertragingsrente een boete is, is of de omvang van de verhoging op bevredigende wijze kan worden verklaard door de bescherming van een gerechtvaardigd belang. Hoewel het in principe commercieel te rechtvaardigen zou kunnen zijn om bij wanbetaling een hoger tarief in rekening te brengen vanwege het verhoogde kredietrisico voor een kredietnemer, was het twijfelachtig of L. hierop in dit geval een beroep kon doen.
Waarom hogere wanbetalingspercentages niet te rechtvaardigen waren
De kredietproblemen van H en N hadden een kredietverstrekker terecht kunnen doen besluiten dat zij een hoger risico vormden. Er waren echter nog andere factoren waarmee rekening moest worden gehouden:
1. L had eerder al een verhoging doorberekend om het extra kredietrisico te weerspiegelen, waarbij het tarief werd aangepast van 0,7% naar 1% naar aanleiding van een vonnis tegen N. L heeft geen bewijs geleverd waarom betalingsachterstand een verhoging van nog eens 3% rechtvaardigde, terwijl een verhoging van 0,3% ten opzichte van het standaardtarief voldoende was geweest om rekening te houden met de kredietwaardigheid
2. Er geldt hetzelfde tarief voor vertragingsrente, ongeacht de aard van de inbreuk
3. Het wanbetalingspercentage werd centraal vastgesteld door L, wat betekent dat het niet kon worden bepaald op basis van de specifieke risico’s van de kredietnemer of de betreffende lening. Uit deskundigenrapporten bleek dat een gebruikelijk wanbetalingspercentage ten tijde van de lening lager was dan het wanbetalingspercentage in deze zaak.
De juridische conclusie
Dit geval onderstreept twee cruciale beginselen:
1. Tarieven op maat: De rentetarieven moeten per transactie afzonderlijk worden vastgesteld om het ‘gerechtvaardigd belang’ van de kredietverstrekker te beschermen
2. Evenredige sancties: Het tarief moet in verhouding staan tot de risico’s die de kredietverstrekker loopt in het geval van wanbetaling
Neem contact met ons op
Mocht u vragen hebben over dit onderwerp, neem dan contact op met David Burns, senior partner op het gebied van procesvoering per e-mail op D.Burns@rfblegal.co.uk of telefonisch op 07762318409.
Extra info
- Auteur van het nieuwsbericht: David Burns